Eric Ditmarsch

13 februari 1945
Het is 13 februari 1945. Oegstgeest lijdt nog onder de bezetting en de uiterst precaire voedselsituatie die daarvan het gevolg is: het is hongerwinter. Maar het zuiden van ons land is al sinds september 1944 vrij. De Engelsen hebben daar diverse squadrons jagers naartoe gestuurd. Daaronder is ook 322 (Dutch) Squadron RAF. Ze vliegen vanaf Woensdrecht met de Spitfire Mk XVI, een eenmotorig eenpersoons jachtvliegtuig met twee 20 mm-kanonnen en vier 7,7 mm mitrailleurs in de vleugels. Het squadron is in 1943 opgericht met, uiteindelijk, voor het grootste deel Nederlands personeel (nadat 320 en 321 Squadron al in 1940 waren opgericht met hoofdzakelijk uit Nederland overgevlogen materieel maar veelal Engelse militairen). Na actief te zijn geweest in een groot aantal operaties, onder meer de landing in Normandië, heeft het squadron vanaf juni 1944 deelgenomen aan een geheel nieuw soort acties. De Duitsers waren begonnen met het op Engeland afvuren van V1-raketten. Verschillende squadrons, waaronder 322, kregen tot taak de relatief traag vliegende V1’s neer te schieten of, als de munitie op was, ze met de tip van een vleugel een zetje te geven zodat ze uit de koers raakten en neerstortten. ‘Wingtippen’ heette dat. Ze deden dit ook wel om te voorkomen dat ze getroffen zouden worden door de vlakbij hun eigen toestel ontploffende V1. In totaal heeft het squadron tussen de 110 en 128 V1’s neergehaald. Dat is echter alweer achter de rug: nu zitten ze op Woensdrecht.

Friendly fire
Om 9.15 uur stijgt de ervaren Flight Lieutenant Lourens Marinus Meijers op voor een ‘armed reconnaissance’ boven bezet Nederland. Zijn wingman in het andere toestel is Flying Officer Eric Ditmarsch. Hij is net een paar maanden eerder uit de opleiding bij het squadron geplaatst; het zal zijn negende operationele vlucht worden. Een wingman dient schuin achter zijn nummer 1 te blijven om hem in de rug te beschermen tegen eventuele vijandelijk jagers, maar ook om te voorkomen dat hij in diens vuurbaan verzeild raakt.
De opdracht luidt: schieten op elk doel dat geschikt lijkt. Uit oostelijke richting komend zien ze, boven Oegstgeest, om 9.45 uur een Duits legervoertuig op de A44 tussen de Postbrug en de brug over het Oegstgeesterkanaal. Meijers opent het vuur maar raakt de auto niet. Twee mensen uit Den Haag bevinden zich echter wel in de vuurbaan van de Spitfire. Th. Haarman en zijn huishoudster B.J.A. van Beek, die te voet via het naast de A44 aangelegde fietspad op weg zijn naar de Haarlemmermeer in de hoop daar voedsel te kunnen krijgen, raken zwaar gewond. Boer van Rijn van boerderij Haaswijk brengt ze een uur later met paard en wagen naar het ziekenhuis, dat dan in het ‘Zendingshuis’ in Oegstgeest is gevestigd, waar mevrouw Van Beek overlijdt.

Embleem (squadron crest) van 322 (Dutch) Squadron RAD, met linksboven de handtekening van George R.I. (Koning George VI). Boven het Nederlandse motto zit papegaai Polly Grey.

Piloten van 322 (Dutch) Squadron RAF, met Flying Officer Eric Ditmarch (midden, zonder stropdas) en Flight Luitenant Lou Meijers (linksonder).

Meijers opende dus het vuur, maar terwijl hij de vuurknop ingedrukt heeft maakt Ditmarsch onverwachts een zodanige manoeuvre dat zijn toestel half door de baan van Meijers’ mitrailleurs vliegt. Zijn staart wordt eraf geschoten, net als een stuk van een vleugel. De Spitfire is nu onbestuurbaar en vliegt te laag om de parachute nog te kunnen gebruiken. Het toestel komt aan de andere kant van de A44 neer in een sloot in de Elsgeester polder, op de grens van Oegstgeest en Voorhout. Door de klap komt de zware twaalfcilindermotor los van het toestel en belandt 30 meter verderop verticaal in de volgende sloot. Ditmarsch wordt uit de restanten van de Spitfire geslingerd – een voet blijft achter – en komt naast de sloot terecht. Meijers komt terug en vliegt laag over, kennelijk in de hoop dat Ditmarsch er goed uit is gekomen.

Begrafenis
De pastoor van de St. Bartholomeuskerk in Voorhout verzoekt de Duitse autoriteiten het lichaam te mogen weghalen en krijgt daarvoor op de tweede of derde dag na de crash toestemming. Zodra die is gegeven brengt Jan van Steijn, de eigenaar van het weiland, het lichaam met paard en wagen naar Voorhout, waar Ditmarsch in een ruimte bij de kerk wordt opgebaard. Om zijn hals heeft hij de zijden sjaal met de opgedrukte kaart van Nederland die neergestorte vliegers moet helpen bevrijd gebied te bereiken. Zijn voet krijgt hij hier terug: de jongen A. Post heeft een gele laars gevonden waarin tot zijn schrik nog een voet zit, en komt, met zijn vriendjes uit de Indische Buurt in Oegstgeest, het geheel bij de kerk afleveren.
Op 17 februari 1945 wordt Eric Ditmarsch bij het Groene Kerkje in Oegstgeest begraven.
Grafzerk van Officier Vlieger Eric Ditmarsch. In de rij geallieerde grafstenen is dit de enige met de Nederlandse Leeuw.

Nog een gekwetste
Er is nog een gekwetste, de veertienjarige Martien de Jong uit Voorhout. Hij was met zijn vader op de fiets via de Haarlemmerstraatweg onderweg naar Leiden, maar in Oegstgeest ontdekt vader dat hij iets vergeten is en stuurt zoon terug om het te halen. Ter hoogte van het Groene Kerkje ziet deze de twee vliegtuigen waarvan er minstens een aan het schieten is, springt van zijn fiets en tracht zich te verschuilen achter een van de versperringspalen die door de Duitsers zijn neergezet om het landen van geallieerde vliegtuigen te belemmeren. Voor de kogels zit hij daar goed maar niet voor het stuk metaal dat van de vleugel afvliegt. De vleugel zelf komt aan de Voorhoutse kant naast een boerderij terecht, maar aan de Oegstgeestse kant treft het losse stuk metaal Martien vol in de rug, zodat hij drie gekneusde ribben oploopt. Hij wordt door een toegeschoten buurman op de bagagedrager voorop zijn eigen fiets naar huis gereden, waar hij een paar weken het bed moet houden. De staart van de Spitfire komt ook aan de oostelijke kant van de A44 terecht, op het punt waar de Vinkenweg aansluit op de Haarlemmerstraatweg.

Eric Ditmarsch
De ouders van Eric Ditmarsch zijn Johan Willem Frederik Ditmarsch, afkomstig uit Arnhem, en Johanna van Dijk, geboren in Elburg. Zij trouwen in Nieuwleusen en vertrekken in 1921 naar Semarang, op midden Java, waar hij machinist, later hoofdopzichter, van de regionale spoorwegen wordt. Op 27 november 1922 wordt Eric geboren; hij zal het enige kind van de Ditmarschen blijven. Zijn middelbare-schoolperiode brengt hij door op de vermaarde ‘Hoogere Burgerschool’ in Semarang.
Zodra de Japanners in maart 1942 het hele land hebben overspoeld, beginnen zij met het interneren van alle Europeanen. Johan Ditmarsch wordt in kamp Tjimahi gestopt, Jo Ditmarsch komt terecht in Ambarawa 6. Beiden zullen het overleven; in de loop van 1946 repatriëren ze naar Nederland, waar ze worden opgevangen door familie in Elburg.

Eric ontkomt aan het kamp doordat hij met ingang van 1 januari 1942 als dienstplichtige aantreedt bij de Koninklijke Marine, op de Marine Kazerne Goebeng in Soerabaja. Op 14 februari van dat jaar wordt hij als aspirant reserveofficier geplaatst op het Koninklijk Instituut voor de Marine, dat dan een nevenvestiging heeft in hetzelfde kazernecomplex. De oorlog ontgaat de aspiranten, voor zover het deelname daaraan betreft. Eind februari worden zij overgebracht naar de haven van Tjilatjap. Hier gaan zij met in totaal 700 terugtrekkende militairen, onder wie overlevenden van de Slag om de Javazee, aan boord van de ms Kota Baroe, een nog niet uitgeladen vrachtschip van de Rotterdamsche Lloyd – het is dan nog niet omgebouwd tot het troepentransportschip dat het later zal zijn.

 

Eric Ditmarsch in 1942 (foto: Nederlands Instituut voor Militaire Historie, objectnr. 2182-117-009, uitsnede).


Via Colombo en Kaapstad en varen de evacuées naar Engeland, waar zij op 3 mei arriveren. Hier wordt de eenheid van Ditmarsch ondergebracht op landgoed Enys House, in de buurt van Falmouth. Op dit landgoed is het Koninklijk Instituut voor de Marine sinds medio 1940 gevestigd, nadat Den Helder moest worden verlaten.
Op deze plaats vervolgen de mannen hun opleiding en hier verzoekt Ditmarsch om overplaatsing naar de Marine Luchtvaart Dienst.
Naar aanleiding hiervan wordt hij in augustus 1942 gedetacheerd bij de RAF, in eerste instantie in Cambridge.

Op 12 februari 1943 wordt de matroos der 1e klasse Ditmarsch overgeplaatst naar Canada, waar hij de praktische opleiding tot Spitfire-piloot krijgt. Dit zal in Moose Jaw, Saskatchewan, zijn gebeurd.
Op 30 oktober 1943 staat sergeant Eric Ditmarsch weer op Britse bodem. Begin november ontvangt hij het Marine Vliegbrevet en wordt hij benoemd tot officier vlieger der 3e klasse van de Koninklijke Marine Reserve. Pas op 1 maart 1944 volgt aanstelling als pilot officer bij de RAF. Daar wordt hij op 11 november van dat jaar geplaatst bij 322 (Dutch) Squadron RAF, dat dan is gelegerd op Biggin Hill, een vliegbasis in het zuiden van het huidige Londen.
Op 3 januari 1945 wordt het squadron verplaatst naar Woensdrecht.

Aanvullende bronnen
– Rede prof. dr. J.C.H. Blom, Oegstgeest 11 november 2013.
– Erwin van Loo, ‘Eenige wakkere jongens’, Nederlandse oorlogsvliegers in de Britse luchtstrijdkrachten 1940-1945, Boom uitgevers, Amsterdam 2013.
– Joep Derksen, Ad Deutekom, Kees den Elzen en Dick van der Meer, Opdat We Niet Vergeten. Oorlogsslachtoffers verbonden met Voorhout, Historische Kring Voorhout, Voorhout 2020.
Film Oorlogsgravenstichting 26 november 2021,