Dodenherdenking in coronatijd

Voor het tweede opeenvolgende jaar zullen we 4 mei anders gaan herdenken dan we de afgelopen jaren gewend waren. Anders, maar het hoeft niet minder intens en oprecht te zijn. Nu de soms toch wel wat routinematig geworden activiteiten geen doorgang kunnen vinden, is er misschien zelfs wel ruimte om ons nog eens opnieuw te bezinnen wat we herdenken, met en voor wie en waarom.


Waarom de tram stil staat
In onderstaande overweging deel ik enkele gedachten, deels gebaseerd op persoonlijke ervaringen. Ik ben geboren in 1951 en dus opgegroeid in de periode van wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog. Wanneer werd ik me voor het eerst bewust van die Tweede Wereldoorlog en wat daar allemaal was gebeurd? Ongetwijfeld zullen mijn ouders aan de eettafel de oorlog ter sprake hebben gebracht, al was het maar om ons kinderen aan te manen ons bord leeg te eten, want in de oorlog hadden de kinderen niet zo goed en lekker te eten gehad. Maar de oorlog was zeker geen dagelijks onderwerp van gesprek, waarbij waarschijnlijk meespeelt dat mijn ouders, woonachtig in St. Michielsgestel (Noord-Brabant), gelukkig nauwelijks geweld hebben ervaren. Ook de hongerwinter heeft het toen al bevrijde Brabant niet getroffen. En zij hebben zich pas ver na 1945 gerealiseerd dat ze letterlijk op een steenworp afstand woonden van enkele plaatsen waar de oorlog wel heel direct mensenlevens raakte: het kleinseminarie Beekvliet, waar prominente Nederlanders werden gegijzeld, en – enkele kilometers verder – Kamp Vught waar zowel joden als politieke gevangenen werden gedetineerd. Het was voor ons als familie heel indrukwekkend toen mijn moeder (toen 97 jaar) in 2019 een bezoek aan Kamp Vught bracht. Ze bleef maar herhalen dat ze zich dit destijds nooit had gerealiseerd.
Terug naar de vraag wanneer ik me voor het eerst van de oorlog bewust werd. Dat moet rond 1960 zijn geweest. Op de (toen nog) lagere school lazen we rond 4 mei een boekje waarvan ik de titel nooit ben vergeten: Waarom de tram stilstond. Dat ik het goed onthouden heb, bleek toen ik de titel googelde. Het boekje is geschreven door de bekende protestantse auteur W.G. van der Hulst jr. en voor het eerst gedrukt in 1960. Het was bedoeld om kinderen het waarom van 4 en 5 mei te laten begrijpen. Dat heeft in mijn geval dus gewerkt! Misschien is nog het meest opvallend dat deze toch heel protestantse auteur ook op mijn toen toch nog zeer traditioneel katholieke school werd gelezen. De herinnering aan de oorlog oversteeg de geloofsverschillen!
 
Uit mijn jeugdjaren herinner ik me verder dat wij de dodenherdenking op TV volgden. Meer dan beelden van de Dam is me het gebeier van de zware klok op de Waalsdorpervlakte in Den Haag bijgebleven. Verder is er natuurlijk Lou de Jong, die op TV zijn serie over ‘Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog’ presenteerde. Maar eerlijk is eerlijk: de Tweede Wereldoorlog – hoe recent voorbij ook – maakte geen zwaarwegend onderdeel uit van mijn jeugdjaren. Ook bij de oudere generatie ging het toen meer om de wederopbouw en economische groei. Er was (te) weinig aandacht voor de recente geschiedenis en zeker voor (joodse) oorlogsslachtoffers. Twee minuten stilte op 4 mei maken dat niet goed

Andere oorlogen
In mijn middelbare schooljaren bleef de aandacht beperkt tot de jaarlijkse twee minuten stilte. Wel werd ik me in die jaren geleidelijk aan bewust van andere oorlogen en conflicten in de wereld. Wij hadden op school een leraar klassieke talen. Hij was tevens priester en begaan met het lot van christenen in Oost Europa. De man sprak vloeiend Tsjechisch en bezocht regelmatig Tsjecho-Slowakije. Hij was zeer aangedaan door de inval van de Sovjetunie in 1968 en gaf daar ook op school uiting aan.

In diezelfde jaren kreeg ook de oorlog in Vietnam veel aandacht. Onze jonge generatie leerde daarvan dat de Amerikaanse bevrijders in Vietnam juist als bezetters werden ervaren. Dit te zeggen was tegen het zere been van veel ouderen. “Jullie hebben de oorlog niet meegemaakt”, was steevast de reactie. Daar stond dan weer tegenover dat de Duitse vijand uit de Tweede Wereldoorlog in die tijd met bondskanselier Willy Brandt een leider had die door op de knieën te gaan  openlijk spijt betuigde voor de holocaust. En de Russen waren van bondgenoot juist de grote tegenstander geworden tijdens de Koude Oorlog.
Kortom: goed en kwaad waren niet meer voor eens en voor altijd simpel te onderscheiden. Daar kwam nog eens bij dat de Koude Oorlog mede gedomineerd werd door de beschikbaarheid van kernwapens. Vooral in de jaren zeventig en tachtig was er veel angst voor een kernoorlog die uiteindelijk tot een volledige wederzijdse vernietiging zou leiden. Weliswaar bezworen tal van politici en militairen dat juist het wederzijds bezit van kernwapens had geresulteerd in een stabiele afschrikking, waardoor beide partijen het wel uit hun hoofd zouden laten kernwapens te gebruiken. Maar velen – onder wie ook ondergetekende -  lieten zich daardoor niet overtuigen. Het verzet tegen kernwapens bereikte in 1981 een hoogtepunt toen wij met 400.000 mensen in Amsterdam demonstreerden en twee jaar later zelfs met een half miljoen in Den Haag.

Verbreding en verdieping
Maar het moet gezegd worden dat deze politieke turbulentie nooit van invloed is geweest op de dodenherdenking. Op 4 mei stonden voor- en tegenstanders van kernwapens samen twee minuten stil bij de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. En gelukkig werd daarbij, anders dan in de eerste naoorlogse periode steeds meer aandacht besteed aan de slachtoffers van de holocaust: joden, maar ook bijvoorbeeld Roma en Sinti. De dodenherdenking was in die jaren trouwens ook verbreed naar alle Nederlandse slachtoffers van oorlogsgeweld na 1945. Dat betrof onder meer de politionele acties in Indonesië,  de oorlog in Korea en in meer recente jaren de missies van Nederlandse militairen in onder meer Libanon, Joegoslavië en Afghanistan. Het is een goede zaak dat de dodenherdenking op deze wijze verbreed is.
Het betekent ook dat de slachtoffers centraal staan bij de dodenherdenking, ongeacht waar, hoe en waartoe zij vermoord of gesneuveld zijn. We gaan op 4 mei niet twisten over de vraag of die verzetsstrijder misschien wel teveel risico heeft genomen, of we met de politionele acties misschien aan de verkeerde kant van de geschiedenis stonden (zoals voormalig minister Bot eens zei), en of we in Srebrenica meer hadden moeten doen.  Nee, het gaat om de slachtoffers! Daarom ook kunnen wij allemaal, ongeacht onze politieke, maatschappelijke of godsdienstige overtuiging op 4 mei de doden herdenken die gevallen zijn voor onze vrijheid.
Op alle andere dagen van het jaar kunnen, nee moeten we volop discussiëren over de vraag hoe wij die vrijheid invullen en hoe wij die vrijheid willen verdedigen. En daarover mogen we volop van mening verschillen. Dat is de ware en niet voldoende te waarderen betekenis van de vrijheid, waarvoor zij die wij herdenken de prijs hebben betaald. Moge die gedachte ook dit jaar weer leidend zijn tijdens de dodenherdenking van 4 mei die  vanwege corona zo anders dan anders is, maar daarmee niet minder  zinvol. Ook nu zal in de nabijheid van een opnieuw lege en stille Dam de tram stil staan! En in Oegstgeest hoor je in die twee minuten stilte alleen de vogels kwetteren.

Koos van der Bruggen
Secretaris Comité Herdenken en Vieren Oegstgeest